Spaanse Woorden
Hier zijn een paar spaanse woorden die handig zijn bij de start van het spaans leren. We zijn van plan om het aantal woorden zo snel mogelijk te vermeerderen, als je op zoek bent naar een bepaald onderwerp, laat het me dan weten.Basis Woorden
hallo: Holadag: Adiós
ja: Sí
nee: No
vriend(in): Amigo (m), Amiga (v)
bedankt: Gracias
Dagen van de Week
maandag: lunesdinsdag: martes
woensdag: miércoles
donderdag: jueves
vrijdag: viernes
zaterdag: sábado
zondag: domingo
Maanden
januari: enerofebruari: febrero
maart: marzo
april: abril
mei: mayo
juni: junio
juli: julio
augustus: agosto
septermber: septiembre
oktober: octubre
november: noviembre
december: diciembre
Eten
servet: servilletavork: tenedor
lepel: cuchara
mes: cuchillo
bord: plato
water: agua
brood: pan
boter: mantequilla
thee: té
koffie: café
zout: sal
peper: pimienta
Kleuren
zwart: negroblauw: azul
bruin: marrón, café
groen: verde
grijs: gris
oranje: naranja, anaranjado
roze: rosado
paars: violeta, morado
rood: rojo
wit: blanco
geel: amarillo
familie
man: esposo, maridovrouw: esposa
kinderen: niños
zoon: hijo
dochter: hija
vader: padre, papá (informal)
moeder: madre, mamá (informal)
broer: hermano
zus: hermana
opa: abuelo
oma: abuela
oom: tío
tante: tía
neef (zoon van broer/zus): sobrino
nicht (dochter van broer/zus): sobrina
neef/nicht: primo (m), prima (f)
schoonbroer: cuñado
schoonzus: cuñada
schoonvader: suegro
schoonmoeder: suegra
schoonzoon: yerno
schoondochter: nuera
Richtingen
links: Izquierdarechts: Derecha
ver: Lejos
dichtbij: Cerca
straat: Calle
laan/weg: Avenida
noord: Norte
zuid: Sur
oost: Este
west: Oeste
Ga ook eens naar: Spaanse Woorden van de dag
|
|






